69 Welke zijn de rechten en plichten van vruchtgebruiker en blote eigenaar?

Een vruchtgebruiker heeft volgende rechten:

  1. hij mag de met vruchtgebruik belaste zaken gebruiken;
  2. hij mag er de vruchten en inkomsten van innen;
  3. hij mag deze zaken beheren;
  4. hij mag zijn vruchtgebruik overdragen.

Hiertegenover staan zijn plichten, nl.:

  1. bij de aanvang van het vruchtgebruik moet er een inventaris opgemaakt worden;
  2. hij moet in het voordeel van de blote eigenaar borg stellen;
  3. hij moet de lasten betalen die op het genot wegen;
  4. hij draagt de herstellingskosten, met uitzondering van de grove herstellingen;
  5. wanneer er in het met vruchtgebruik belaste vermogen ook schulden zijn, moet hij de intresten betalen;
  6. bij het einde van het vruchtgebruik moet hij - of moeten zijn erfgenamen - de zaken teruggeven aan de blote eigenaar in de staat waarin hij ze heeft ontvangen.

Wat gebeurt er indien één van beiden (de vruchtgebruiker of de blote eigenaar) de met vruchtgebruik belaste zaak zou willen verkopen? Ieder van de twee kan verkopen wat hij aan rechten heeft. De blote eigenaar kan zijn eigendom verkopen, maar zonder dat hierdoor de rechten van de vruchtgebruiker kunnen verminderd worden. Dit betekent dat een eventuele koper voor een dergelijk eigendom uiteraard slechts een geringe prijs zal willen betalen.

De vruchtgebruiker kan theoretisch ook zijn rechten van vruchtgebruik verkopen, maar het vruchtgebruik zal altijd ophouden bij het overlijden van de oorspronkelijke vruchtgebruiker. De koper van een vruchtgebruik koopt dus een recht waarvan de duur afhangt van het leven van iemand anders. Of de vruchtgebruiker in dergelijke omstandigheden een koper zal kunnen vinden is zeer te betwijfelen.

In de praktijk zien we dan ook uiterst zelden de verkoop van een vruchtgebruik; af en toe wel eens de verkoop van een blote eigendom. Maar geen van beide gerechtigden kan de andere dwingen om samen de totaliteit van de zaak te verkopen. Vruchtgebruik en blote eigendom zijn namelijk rechten van totaal verschillende aard, er bestaat tussen beiden geen onverdeeldheid, zodat art. 815 Burgerlijk Wetboek dan ook niet toepasselijk is. Behoudens overeenkomst tussen beiden, is de zaak dan ook onverkoopbaar in volle eigendom zolang het vruchtgebruik duurt.

Hierop bestaan twee belangrijke uitzonderingen:

1. verkoop teneinde schulden te betalen
Wanneer het vruchtgebruik slaat op een volledig vermogen, waarin ook schulden begrepen zijn, moeten deze schulden op hun vervaldag worden terugbetaald.

De vruchtgebruiker kan het kapitaal renteloos voorschieten aan de blote eigenaar.

Ofwel kan de blote eigenaar dadelijk betalen en van de vruchtgebruiker intrest eisen. Maar wanneer geen van beiden wenst (of kan) met eigen middelen te betalen, kan de blote eigenaar voldoende goederen uit het vermogen in volle eigendom doen verkopen om hieruit de schulden terug te betalen.

2. het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot
Sedert de wet van 14 mei 1981 heeft de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik op de ganse erfenis. Maar ook op erfenissen die vroeger opengevallen zijn, kan de langstlevende echtgenoot geheel of gedeeltelijk vruchtgebruik hebben, hetzij ingevolge de oude wet, hetzij ingevolge een huwelijkscontract of een testament.

Welk ook de oorsprong van het vruchtgebruik weze, de langstlevende echtgenoot kan eisen dat zijn vruchtgebruik op bepaalde goederen (die hij zelf uitkiest) zou worden omgezet in een kapitaal of in een lijfrente, die de blote eigenaars hem moeten uitbetalen. Wanneer hij dit doet, dan worden de blote eigenaars uiteraard volle eigenaars, en kunnen zij de volle eigendom verkopen indien zij dit wensen.

De langstlevende echtgenoot-vruchtgebruiker kan ook zijn vruchtgebruik laten omzetten in een onverdeeld aandeel in de volle eigendom, en dan ontstaat er een onverdeeldheid die tot verkoop kan leiden om uit onverdeeldheid te treden.

De erfgenaam - blote eigenaar kan ook diezelfde omzetting eisen (hieruit blijkt dus dat het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot minder stevig is dan een gewoon vruchtgebruik, maar met drie beperkingen:

  1. indien hij geen kind is van de overledene, zal dit slechts toegestaan worden indien de rechtbank dit billijk acht wegens bijzondere omstandigheden;
  2. hij kan deze omzetting nooit eisen voor wat betreft de gezinswoning en de meubelen die deze stofferen, m.a.w. de langstlevende echtgenoot kan nooit uit zijn huis gezet worden;
  3. wanneer hij gezamelijk kind is van de overleden persoon en zijn echtgeno(o)t(e) en dat die omzettingsmogelijkheid hem bij testament ontzegd is.

Hoe wordt het bedrag van dit kapitaal, deze lijfrente of het aandeel in volle eigendom berekend?
Wanneer partijen niet tot een akkoord komen, zal de rechtbank hierover beslissen. Het Burgerlijk Wetboek geeft ons enkele richtlijnen: er moet naargelang van de omstandigheden rekening gehouden worden met de waarde en de opbrengst van de goederen, de eraan verbonden lasten en de vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker. De waarde die in aanmerking genomen wordt is die op het ogenblik dat de omzetting verwezenlijkt wordt.