Erfrecht

Het erfrecht vormt één van de belangrijkste verschilpunten tussen de onderscheiden samenlevingsvormen. Het huwelijk biedt onmiskenbaar de grootste bescherming voor de langstlevende, overblijvende partner.

De langstlevende echtgeno(o)t(e) heeft niet alleen recht op een bepaald erfdeel (dat afhankelijk is van de aanwezigheid van kinderen, overlevende ouders of andere erfgenamen), hij of zij beschikt ook over een wettelijke reserve. Dit is een deel van de nalatenschap dat hoe dan ook aan de langstlevende partner toekomt, zonder dat andere erfgenamen hier enig recht op hebben.

 

1. De langstlevende echtgeno(o)t(e) erft hoe dan ook altijd het vruchtgebruik van de gezinswoning en de aanwezige inboedel. Dit betekent dat de kinderen van de overledene de langstlevende partner nooit uit de vroegere gezinswoning kunnen zetten. De weduwe(naar) zal altijd in de woning mogen blijven wonen of de woning mogen verhuren en genieten van de huuropbrengsten. Door het erfrecht van de langstlevende partner wordt de eigendom van de woning als het ware “gesplitst” in een blote eigendom en een vruchtgebruik, zodat zowel de kinderen als de langstlevende niet naar goeddunken kunnen beschikken over de woning. De kinderen en langstlevende echtgeno(o)t(e) kunnen echter het vruchtgebruik omzetten in volle eigendom voor de kinderen, mits betaling van een geldsom aan de langstlevende. In bepaalde situaties kan dit praktischer zijn, bijvoorbeeld als de langstlevende geen behoefte meer heeft om in de woning te blijven wonen of als de kinderen de woning willen verkopen.

2. De langstlevende echtgeno(o)t(e) erft altijd het vruchtgebruik van de helft van de goederen van de nalatenschap.

 

Wettelijke samenwoners hebben wel een erfrecht (zijnde het vruchtgebruik op de gezinswoning en de inboedel), maar dat is geen “reserve”. De samenwoners kunnen elkaar immers onterven via een testament.

De feitelijke samenwoners hebben geen erfrecht ten opzichte van elkaar

Meer informatie vind je bij het stuk “Erven” op notaris.be.