Inbreng: in geld of natura?

Het kapitaal van de vennootschap wordt gevormd door hetgeen de oprichters in de vennootschap inbrengen.
In elk van de drie besproken vennootschapsvormen kan die inbreng gebeuren door middel van geld of door een inbreng in natura (vermogensbestanddelen die naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd, zoals bijvoorbeeld een onroerend goed of een handelszaak).

Sinds 1 mei 2019 kunnen oprichters ook knowhow en arbeid inbrengen. Dit staat dan gelijk aan een inbreng in natura.

De wetgever heeft voor elk van de drie vennootschapsvormen een controle voorzien teneinde de werkelijkheid en de juistheid van de inbrengen na te gaan.

 

Inbreng in geld

In geval van een inbreng in geld, dient het bedrag van de inbreng vóór de oprichtingsakte gedeponeerd te worden op een bijzondere rekening op naam van de vennootschap in oprichting.
Het bewijs van deze storting, het zogeheten “bankattest”, zal door de bank worden afgeleverd om het uiterlijk bij de ondertekening van de oprichtingsakte aan de notaris te overhandigen.
Zonder het bankattest kan de notaris de oprichtingsakte niet verlijden.

Inbreng in natura

In geval van een inbreng in natura, dienen de oprichters aan de notaris twee verslagen voor te leggen:

  1. het verslag opgemaakt door de bedrijfsrevisor, aangesteld door de oprichters, die de inbreng beschrijft en waardeert en
  2. het verslag opgemaakt door de oprichters waarin het belang van de inbreng voor de vennootschap wordt uiteengezet.
 

Indien een oprichter zijn verbintenissen niet kan nakomen bv. door een ziekte definitief geen arbeid meer kan verrichten, zullen de aandelen vervallen. Indien de arbeid tijdelijk niet meer ingebracht kan worden, worden de rechten verbonden aan de aandelen na drie maanden geschort.

Het is dus perfect mogelijk dat vier vrienden een vennootschap oprichten waarvan één kapitaal inbrengt, een andere een onroerend goed, de derde verkiest om te werken in de onderneming en de vierde ten slotte zijn knowhow inbrengt.