Vergoedingen bij het einde van de pacht

Bij het einde van de pacht dient de pachter het goed terug te geven aan de verpachter in dezelfde staat als hij het ontvangen heeft, met uitzondering van de waardeverminderingen door ouderdom en overmacht.

Anderzijds dient de pachter vergoed te worden voor zijn achtergelaten stro en navetten en voor de reeds uitgevoerde bebouwing, en ook voor de door hem geplaatste gebouwen en de aangebrachte verbeteringen. Deze vergoeding wordt ofwel minnelijk overeengekomen ofwel bij beslissing van de vrederechter, doch zij zal maximaal de door de pachter werkelijk gemaakte kosten bedragen.

Er bestaat aldus:

  • de gewone uittredingsvergoeding, ook prijzij genoemd = de vergoeding voor mest en navetten. Zij staat in verband met het soort gewas dat er laatst op gekweekt werd;
  • de vergoedingen voor gebouwen, werken of aanplantingen (zie hiervoor);
  • de bijzondere uittredingsvergoeding: in gevallen waar de pacht wordt opgezegd voor aanwending van de pachtgrond als bouw- of nijverheidsgrond, voor algemeen nut of voor gezinsdoeleinden. Deze vergoeding compenseert de door de pachter geleden schade.

Een minnelijke regeling of een verzaking aan deze rechten door de pachter kan slechts gebeuren na de opzegging en wordt vastgesteld uitsluitend voor de vrederechter of bij notariële akte.
De berekening gebeurt volgens plaatselijke gebruiken.